Ik had net een jaar in Nijmegen gestudeerd, waar je docenten bij hun voornaam noemde. Er hing een flinke walm van rookwaren in de hogeschoolkantine. Er stond één computer met internet in de bibliotheek, al begreep niet iedereen wat je daarmee moest. Maar internet, dat werd het ding. Op die Nijmeegse lerarenopleiding kregen we ook veel dramalessen, die we volgden bij een man die altijd een stenen nap met kruidenthee bij zich droeg. Ik was de enige die naar Amsterdam vertrok. Want ik zou met mijn hbo-propedeuse op zak Nederlandse taal- en letterkunde gaan studeren. Ik wilde schrijver worden, daar hoorde zo’n studie toch bij?
Maar hier zaten docenten ver weg en waren ze niets meer dan een afkorting in een rooster. Ik kreeg helemaal niks over Reve te leren, ik hoorde alleen maar gewauwel over middeleeuwse handschriften, hoe we onze tong bewogen bij het spreken en wat intertekstualiteit inhield. Tentamenresultaten werden op een bord gehangen (en waren nooit echt reden tot optimisme).
Bereid je er als eerstejaars op voor dat je vaak doodongelukkig zult zijn. Je denkt voortdurend dat je gek bent (dat ben je ook). Laat je niet afleiden door lachende hordes in bontgekleurde shirts met het logo van een studievereniging, geloof niet in posters die je uitnodigen tot weekenden roeien met andere studenten, negeer de feestende massa die op flyers afgebeeld staan. Jongvolwassen zijn is geen pretje, en iedereen die anders beweert is een leugenaar.
Of je nu alleen op je bed met je diepromantische doodsliteratuur zit of in het feestcafé op het Rembrandtplein staat te dansen op de Toppers: iedereen doet maar wat. Ook die professor die iets oninteressants vertelt. Als je dat in je achterhoofd houdt, zijn de komende jaren prima te doen. Het hele leven trouwens.