Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

Op mijn zeventiende bleef ik in de eerste klas van de meao zitten. Ik volgde de opleiding Economisch Juridisch. Doubleren moest omdat al mijn aandacht naar de innerlijke wereld ging. En daar krijg je geen studiepunten voor.

Een leraar zei dat ik in een identiteitscrisis verkeerde – wat waar was. Ik stond op gespannen voet met mijn Marokkaanse achtergrond, én was smoorverliefd op een Marokkaans meisje. Tegelijkertijd vroeg ik mij af wat heteroseksueel betekende – misschien was ik wel homo. Niets was zeker.

De ontoereikendheid van mijn taal om de complexe binnenwereld onder woorden te brengen, frustreerde. Ik uitte mij gedeeltelijk via kleding – de eenvoudigste taal. De ene dag doste ik mij uit als een vogelverschrikker, de andere dag was ik een hiphopper, of ik skeelerde rond in een wit islamitisch gewaad.

Het hoofd was een snelkookpan waar ieder etmaal mijn verwarring in werd gekookt. En elke nacht viel ik pas in slaap als mijn lichaam en geest het verloren van de vermoeidheid.

Door dit alles kwam ik niet aan onderwijs toe. De laatste maanden van het schooljaar vertoonde ik mij nauwelijks op het Haarlemse Frans Halscollege.

Er was één plek waar ik een beetje tot rust kwam; de dansvloer van het Patronaat. Op vrijdag en zaterdag was daar de dansnacht Dance Stew. De entree was een rijksdaalder. Tussen de alternatievelingen leidde ik mijn gedachten met dansen voor enkele uren af.

Mijn beste vriend kwam op het idee voor een dansmarathon. We vertrokken naar het stranddorp Lloret de Mar. De busreis met Peter Langhout (bestaat die maatschappij nog?) en het hotel kostten samen iets meer dan driehonderd gulden. We leefden op donuts en water en dansten acht nachten tot de vroege morgen in discotheken die namen hadden als Londoner, Colossos en Tropics.

De zevende nacht, op muziek van Da Hool, Jean, Sash of wie het ook was, schreeuwde ik een bliksemschicht aan de hemel. De roep loste niets op, maar wat een verlichting.