Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

Als tiener in Zuid-Limburg fantaseerde ik over zo’n auto zoals in Grease, met een uitschuifbare cirkelzaag aan de zijkant waarmee ik alle pelotons in één keer van de weg kon zagen. De manier waarop ze minachtend voor de auto’s uitreden, lijven vacuüm in de logo’s gehesen, alsof ze de laatste meters van de Tour aflegden – ze namen zichzelf zo unaniem serieus.

Ik heb me lang verzet, maar ik ben een provinciaal-stedeling met buren links, rechts, onder, schuin en tegenover. Ik verlang naar de ruimte en eenmaal in de ruimte moet ik snel weer terug.

Dus kocht ik een fiets. Hij piept en ik draag een synthetisch gymbroekje uit de 4e, waardoor na ongeveer twintig kilometer mijn onderlijf spontaan ontbrandt. Tegen de man in de fietswinkel zei ik dat ik de goedkoopste helm wilde – ‘waarom?’ foeterde de fietsvriend die mee was. Even keek ik naar de dure stoere helmen, toch gevoelig voor het stille verwijt van Hollandse zuinigheid. Ik dacht aan mijn moeder, het type dat vond dat je je eerst maar eens op twee botte linkerschaatsen in maat 39 en 36 moest bewijzen voor je nieuwe kreeg. Maar zuinigheid was het niet, het waren de verwachtingen van zo’n uitrusting die ik mezelf niet wilde aandoen.

Weinig dingen zijn treuriger dan een gestorven droom met een hoopvolle uitrusting. Loser, fluistert zo’n dure helm dan naar je vanuit de hoek. Wie hou ik voor de gek? Ik ben geen échte wielrenner. Ik ben niet eens sportief. Ik ben alleen even weg.

Dus race ik de stad uit met een stuk bubbeltjesplastic op m’n hoofd en een brandend kutwerk. Onderweg heb ik irreële dromen van het leven dat ik als dorpsbewoonster zou hebben – het Zonnatura-scenario waarin ik met een rieten hoed op eten voor mijn gezin verbouw en vanaf het veld naar fietsers als mezelf zwaai. En dan snel weer terug. Het is eeuwig pendelen als provinciaal-stedeling.