Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!

Ik fietste tijdens de eerste echte zomerse vrijdagavond van dit jaar door de stad, zo’n avond met een minimumtemperatuur van achttien graden. Ik reed over de Sarphatistraat, via het Leidseplein naar de Overtoom, Kinkerstraat, Postjesweg en vervolgens het viaduct onder de ring A10 door. Ik ontdekte: als je tijdens het fietsen af en toe je ogen tot spleetjes knijpt en je gehoor uitschakelt, is het aardig toeven. Kijk je met open ogen en oren, dan word je geconfronteerd met de hellepoort.

Het leek of ik de enige in nuchtere staat was. De rode blossen ter hoogte van de jukbeenderen, de glazige ogen, de walmen uit de monden, de lijzige stemmen... Welk orakel heeft ooit besloten dat op vrijdag melaatsen en gebochelden zich vrije toegang verschaffen tot het terras? We geven graag de toeristen de schuld, maar zij zijn niet de enigen. Amsterdammers kunnen de stad niet loslaten. Ze graven zich in. Op terrassen, in bootjes, in parken: overal vieren ze vakantie in de stad.

In Parijs was het tot enkele decennia geleden normaal om in de zomer de stad te verlaten. Wie dat niet deed, was een verliezer. De stad moest het gewoon met tweeëneenhalf miljoen minder Parijzenaren doen. Journalist Jan Brusse omschreef het ooit: ‘Vertoon je je er toch, dan knak je je toekomst en je geeft je buren, die er niet zijn maar het later wel horen, het volste recht om laatdunkend over je te spreken.’ Naar de kust moest je! Om vervolgens daar te dringen voor de ijssalon of het sanitairgebouw.

In mijn wijk is dat nog zo: ruim driekwart gaat in de zomer naar Marokko of Turkije. Ik moet het dan stellen zonder bakker en groenteboer. Als ik zo’n briefje op de winkeldeur lees, voel ik me toch een verliezer.