Het collegejaar is over. Dit is de sfeer die hoort bij een feestje dat eindigt: de luidruchtigste bezoekers blijven over, de schoonmaker boent al de vloer en de lichten zijn aan. Ik sta er middenin. De organisatoren (lees: collega’s) rennen langs om de voorraad (de studenten die door mogen) in de gaten te houden, en is de kas wel geteld (staan alle cijfers in SIS)? De laatste dienbladen gaan rond (de laatste herkansingen). Het is zo’n sfeer van een zwoele avond met open deuren en het gekwetter van vogels die door de motregen heen fluiten om te laten weten: hallo, de zomer begint. Je dwaalt wat door de hal. ‘Fijne vakantie, mijnheer.’ ‘Jullie ook. Maak er wat van.’
Voor het eerst in zes jaar doe ik geen studieloopbaanbegeleiding meer. Ik geef straks alleen nog les, coördineer enkele modules en ga een studie volgen. Alle jaren SLB waren leuk, maar dit jaar – de genadeslag – was wel de beste afsluiter. Collega’s vragen wel eens naar ‘de ideale propedeusestudent’. Maar mijn ideale student bestaat niet. Dat is een groep, een chain gang. Jongens met petjes achterstevoren, meisjes met moeilijke merktassen, verveelde havo-tieners, late twintigers van het mbo, kinderen van stukadoors, kinderen van advocaten, Westfriezen, kinderen van BN’ers uit Watergraafsmeer. De diversiteit maakt ze ideaal.
Dankzij mijn SLB-klas 122 was het dit jaar wel een erg goed feest. Ik hoef niet onthouden te worden, maar het zou toch mooi zijn als ze over tien of twintig jaar denken: ‘Verhip, dat ene jaar, toen hadden we zo’n bebaarde vent in een pak. Bij hem deed onderwijs soms pijn en je Word-documenten stonden altijd vol rode commentboxen, maar je was altijd welkom.’
Een hartelijk welkom aan het begin en een hartelijk vaarwel aan het einde. Dat is het minste wat je je gasten kunt leveren.