Vorige week had ik drie optredens, waar ik over mijn werk werd bevraagd. Ik wilde op deze plek over die vertoningen schrijven. Op de laatste dag van de week stond dat voor(in)genomen idee me tegen. Om verwaande schrijverij tegen te gaan, dacht ik aan de vroege jaren negentig.
In die tijd kwam een vriend van me naar Nederland. Hij verbleef hier illegaal, hij was niet de enige.
Het duurde niet lang voor hij een baan vond, als afwasser bij een Italiaan. In het sjieke restaurant werd hij Georgio genoemd. De naam paste hem: kort, bonkig en hij liep over van het testosteron.
We speelden vaak ronda, een Marokkaans kaartspel. Dan vertelde hij over zijn dromen.
Illegalen hadden een grote aantrekkingskracht op mij. Zo trok ik weken met hen op in Brussel en in Haarlem kwam ik regelmatig in een pension achter het busstation, waar Algerijnen zonder papieren zich verzamelden.
Het was opvallend dat ze vooral met elkaar optrokken, en de sfeer was immer positief – ondanks hun benarde positie. Toch school de bekoring niet alleen in die goed gekruide atmosfeer. Op een dag werd het mij duidelijk. In de keuken stond op het vuur de bouillon te borrelen. Het was ramadan, en we wachtten op de zonsondergang, zodat we het vasten konden verbreken. Samen keken we op de bank naar Goede tijden, slechte tijden. Op het scherm was een stelletje vurig aan het zoenen. De illegale vriend sprong op, slaakte een hijgkreet en kreunde zachtjes na. De scène had hem laten klaarkomen.
Ik was met stomheid geslagen.
Toen hij Europa had bereikt, verscheurde hij zijn paspoort. Hij had zich stateloos gescheurd, dan kon hij nergens naar worden teruggestuurd. De landsgrenzen die op papier waren getrokken bestonden niet meer voor hem. Maar naast topografische lijnen werd hij in zijn illegale situatie ook niet meer beknopt door culturele grenzen, die door gemeenschappen worden getrokken: zedelijkheid.
Mijn hang naar die onmetelijke vrijheid was de belangrijkste reden om met die vrije jongens op te trekken.