Een dag na de Parijse cartoonmoorden noemde een collega mij in een opwelling anti-islam. De discussie bloedde van mijn kant dood, omdat de opmerking het verstand oversloeg en direct tot mijn gevoelsleven binnendrong. Mijn schrik was geraakt en ik kon niet meer goed denken. Op de fiets naar huis gonsde de opmerking niet na, maar ging zij steeds als een sirene af.
Thuis las ik mijn stukken door. Ik had geschreven dat ik niet meedeed aan de ramadan, de islam star vond en dat een religie voor mij niet kon bepalen wanneer en hoe ik de liefde bedreef. Waar klonken en stonden de woorden dat ik tegen de overtuiging was?
In mijn verhalen over de islam ben ik niet contra de religie, maar pro mijn leven. Mijn opvoedreligie was de islam en dat merkte ik al snel omdat mijn penis werd verminkt, mij werd verteld met welke hand ik moest eten, en dat ik eerst tot God moest bidden voordat ik – in het verplichte donker – bij een vrouw naar binnendrong. En ga zo maar verder; de lijst is echt eindeloos. Dat ik hardop nadacht over die regels, was ik om die reden anti-islam? Hing ik geheime was buiten? Mag ik niet voor mijn steen voor steen opgebouwde leven opkomen?
Op een keer stond ik met mijn ex-geliefde in een boekhandel. We hadden een gesprek over de islamitische regel die het verbiedt seks te hebben als je partner menstrueert. Ik vond dat vreemd. Zij eveneens, maar vond dat als ik de islam een starre religie vond, ik er ook wat van kon.
We liepen de boekhandel uit. De bel van een langsrijdende tram verwelkomde ons vrolijk. Ze pakte mijn hand. Mijn vingers streelden terug. De lentezon kneep onze ogen fijn. We kusten elkaar, lang.
De liefde is in deze tijd de enige redding van onze privélevens én debat-arena.