600 miljoen extra voor onderwijs. Alexander Pechtold kon vrijdag vol trots aankondigen dat hij zijn belangrijkste onderhandelpunt had binnengehaald. Het onderwijs krijgt eindelijk weer een financiële impuls. Van die 600 miljoen gaat waarschijnlijk een kleine 150 miljoen per jaar naar het hoger onderwijs. Onderzoek en innovatie ontvangen 100 miljoen en voor alle Nederlandse onderwijsinstellingen tezamen komt 175 miljoen beschikbaar. Dat lijkt echter een
sigaar uit eigen doos. Eerder dit jaar werd in het Lenteakkoord nog 232 miljoen gekort op die zogenaamde lumpsumfinanciering en tegenover de investeringen staat ook een flinke
‘efficiëntiekorting’ op de academische ziekenhuizen.
Veel meer dan een Pyrrusoverwinning haalde D66 in dit herfstakkoord dan ook niet binnen. Weliswaar werden de bezuinigen op hoger onderwijs deels teruggedraaid, per student zal er het komende academische jaar voor het zoveelste jaar op rij weer minder budget beschikbaar zijn. De universiteiten en hogescholen die hun aanmeldingscijfers al wereldkundig maakten groeiden als nooit tevoren.
Nederland is niet het enige land dat worstelt met de hogeronderwijsbekostiging. In het Verenigde Koninkrijk woedt op dit moment
een zelfde discussie, zij het op een ander financieel niveau. Aan de andere kant van Het Kanaal mogen universiteiten binnen een wettelijk vastgelegde bandbreedte hun eigen collegegeldtarief bepalen. Twee jaar geleden is het maximum op verzoek van enkele topuniversiteiten verhoogd naar 9.000 pond per jaar.
De verwachting was dat alleen de Oxfords en de Cambridges dit zou vragen, maar dankzij de toenemende studentenaantallen vragen tientallen instellingen inmiddels al het toptarief. Gevolg is dat het neusje van de academische zalm inmiddels al aan het lobbyen is voor een nieuwe verhoging. De zorgen om de toegankelijkheid van het hoger onderwijs nemen dan ook evenredig toe.
De onderliggende vraag in beide discussies is wie er hoort te betalen voor onderwijs en hoe verstrekkend de gevolgen daarvan mogen zijn. Daarin zijn grofweg twee uitersten te zien: enerzijds het Amerikaanse model waarin studenten hun eigen studie betalen en de instelling wordt betaald door de staat of uit giften, anderzijds het Scandinavische model waarin studenten nauwelijks bijdragen en de overheid universiteiten en studies aanbiedt. Daartussenin ligt een oceaan aan mogelijkheden, variërend van het voor studenten dure systeem van het Verenigd Koninkrijk, het goedkope systeem van Duitsland of een systeem zoals het onze.
Van oudsher is het Nederlandse stelsel gebaseerd op een overheid die zorgt voor universitair onderwijs en daarbij een kleine bijdrage van studenten vraagt. Dat model staat echter onder druk. De afgelopen regeringen hebben blijk gegeven het budget per student niet op peil te willen houden. Zelfs dit herfstakkoord met de zelfverklaarde onderwijspartij D66 is dat niet gelukt.
Het collegegeld is in Nederland echter ook
nauwelijks verhoogd en die kleine verhoging sinds 2007 is gebruikt om het salaris van docenten te verhogen. Dat betekent dat de universiteiten langzaamaan worden uitgeknepen. Dit kan niet jarenlang doorgaan zonder dat het onderwijs er zienderogen op achteruit zal gaan. Onder meer de invoering van een leenstelsel duidt erop dat het Nederlandse stelsel naar de Angelsaksische kant van de schaal glijdt, zonder dat daar een gedegen ideologisch debat over plaatsvindt. Dat is dubieus, aangezien men zowel
in de VS als in het Verenigd Koninkrijk juist steeds meer doordrongen wordt van de manco’s van hun model.